Per 1 juli 2026 zal de Wet modernisering servicekosten in werking treden. Vrij recent werden de Wet maximering huurprijsverhoging geliberaliseerde huurovereenkomsten en de Wet betaalbare huur al in het leven geroepen, met als doel het (nog) beter beschermen van huurders. Inmiddels hebben ook de servicekosten de aandacht van de wetgever gekregen. In dit artikel gaan we in op de belangrijkste veranderingen die de Wet modernisering servicekosten met zich brengt en staan we stil bij de drie belangrijke veranderingen voor u als zorgaanbieder.
Huidige problematiek
Het onderwerp servicekosten leidt in de praktijk vaak tot discussies, zo ook in de relatie tussen zorgaanbieder en cliënt (als huurder). Het aantal procedures over servicekosten is in de afgelopen jaren flink toegenomen.
Die toename is niet alleen te verklaren door onjuiste en/of te hoge doorberekening van servicekosten. Het huidige wettelijke kader biedt vooral weinig houvast als het gaat om de kwalificatie van servicekosten, waardoor het onduidelijk is wat daaronder kan worden geschaard. Daar komt bij dat de mogelijkheden om servicekosten te laten toetsen in het huidige systeem beperkt zijn; de Huurcommissie kan slechts kijken naar de nutsvoorzieningen die via een individuele meter worden gemeten, daarbij kan worden gedacht aan gas, water en elektriciteit.
Voor andere servicekosten, zoals schoonmaak en energiekosten, is toetsing pas mogelijk ná de eindafrekening. Wanneer een huurder alleen het totaalbedrag voor het voorschot betaalt, kan de Huurcommissie dus slechts een deel daarvan beoordelen. Dit roept vragen op over welk deel getoetst kan worden en wat precies als nutsvoorziening wordt beschouwd.
Wet modernisering servicekosten
De nieuwe wet moet verandering brengen in bovengenoemde problemen. Het nieuwe regime zal voor verduidelijking moeten zorgen, bijvoorbeeld door (sterker) te benadrukken dat servicekosten uitsluitend zien op daadwerkelijk gemaakte kosten en dat het moet gaan om een redelijke vergoeding. Tevens wordt een wettelijke grondslag gemaakt om nadere regels over de hoogte en berekening van servicekosten vast te kunnen stellen bij ministeriële regeling. Hieronder gaan wij in op een aantal belangrijke wijzigingen.
Gelijktrekken nutsvoorzieningen en servicekosten
Tot op heden wordt in de wet- en regelgeving onderscheid gemaakt tussen nutsvoorzieningen met een individuele meter en (overige) servicekosten, vastgelegd in artikel 7:237 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Afhankelijk van de soort kosten zal de Huurcommissie zich wel of niet uitspreken, hetgeen als problematisch wordt ervaren, aangezien de Huurcommissie moeite heeft met het vaststellen van deze kosten en deze keuze voor zorgaanbieders vervolgens lastig te begrijpen is.
Na inwerkingtreding van de Wet modernisering servicekosten zal enkel nog worden gesproken over één begrip, namelijk ‘servicekosten’, waar dan zowel nutsvoorzieningen als overige servicekosten onder zullen vallen. Dit betekent dat alle doorberekende kosten voortaan op dezelfde manier moeten worden omschreven en gecommuniceerd richting cliënten. Ook wordt de hoogte daarvan op dezelfde manier getoetst en zal daarover geen onduidelijkheid meer bestaan; althans zo is het idee.
Limitatieve lijst servicekosten
Daarnaast zal de limitatieve lijst met servicekosten, opgenomen in het huidige Besluit servicekosten, worden aangescherpt en geactualiseerd. Belangrijk voor zorgaanbieders is dat uitsluitend de in het (nieuwe) besluit genoemde zaken en diensten nog als servicekosten mogen worden aangemerkt. Alle kosten die buiten dit kader vallen, kunnen niet als servicekosten worden doorberekend aan cliënten. Wel heeft de wetgever rekening gehouden met enkele open normen, waardoor enige ruimte bestaat om in te spelen op nieuw ontwikkelingen.
Een praktisch aandachtspunt voor zorgaanbieders is om op tijd na te gaan welke kosten momenteel worden doorberekend en te bekijken of hoe deze kosten passen binnen het vernieuwde Besluit servicekosten.
Strengere gevolgen bij ontbreken jaarafrekening
Tot nu toe kan een cliënt de servicekosten van het voorgaande kalenderjaar door de Huurcommissie laten toetsen, waarbij de Huurcommissie in de huidige praktijk zelf een afrekening opstelt bij ontbreken of onvolledigheid van de jaarafrekening.
Dat verandert met de nieuwe wet, waarbij de Huurcommissie bij ontbreken of onvolledigheid van zowel de jaarafrekening als het bijbehorende formulier, niet meer zelf berekent. In plaats daarvan worden de kosten vastgesteld op basis van een voorgeschreven normgedrag uit een ministeriële regeling. Dit houdt in dat, indien duidelijk is dat een bepaalde dienst niet is geleverd, de kosten kunnen uitkomen op een laag bedrag of zelfs op € 0,-. Deze strengere eis vereist dus een stuk extra aandacht en zorgvuldigheid bij het opstellen en verstrekken van de jaarafrekening.
Tot slot
De Wet modernisering servicekosten zal enkel van toepassing zijn op huurovereenkomsten die zijn gesloten ná de inwerkingtreding van deze wet. De voorgenomen datum voor inwerkingtreding is vooralsnog 1 juli 2026. Lopende zaken bij de Huurcommissie zullen worden beoordeeld naar de stand van zaken zoals dat gold op het moment van indiening van de zaak bij de Huurcommissie.
Wij willen nog opmerken dat het de vraag is in hoeverre het huurprijzenrecht van toepassing is in geval van wonen en zorg. In dit artikel zijn we ervan uitgegaan dat het huurprijzenrecht, zo ook de nieuwe wet, geldt voor zorgaanbieders. In een eerder artikel dat wij schreven lees je meer over het al dan niet (en onder welke voorwaarden) van toepassing zijn van het huurprijsregime in geval van wonen en zorg.
In het Woonzorgoverleg op 19 mei staan we stil bij dit onderwerp. Je kunt je hier alvast aanmelden.
Door: mr. Puck Wijn en mr. drs. Daniël Post van onze partner Eldermans|Geerts – Advocaten en Juristen in de Zorg.
